Gehoorzaam geloven
“De vraag is niet: wel of geen religie, maar welke soort van religie: is het een religie die de ontwikkeling van de mens en van zijn specifieke menselijke vermogens bevordert, of juist verlamt?” [1]
Het voorgaande roept de vraag op hoe volwassen moslims kunnen blijven geloven in een religie die slecht scoort op de criteria voor psychische gezondheid. Is er dan eigenlijk wel sprake van gelovigen, of van iets anders?
Daar kunt je op verschillende manieren naar kijken. Er is sprake van gelovigen, maar niet op de manier waarop “geloven” idealiter bedoeld is.
Wat bedoelen we eigenlijk met “geloven”?
Normaal gesproken verstaan we onder geloven:
een vrij gekozen, innerlijk gedragen overtuiging
die zingevend is en betekenis geeft, zonder jezelf te schaden
en die niet botst met je geweten, je gevoel, je verstand en je ervaring
Een religie die structureel slecht scoort op criteria voor psychische gezondheid is in die zin nauwelijks “geloofbaar”.
Voor sommige mensen geldt echter onbewust: liever een pijnlijk maar absoluut wereldbeeld in een gesloten gemeenschap, dan een open maar onzeker bestaan in een vrije samenleving.
De Islam biedt absolute waarheid, duidelijke regels, kosmische rechtvaardigheid, vaste morele kaders, een kant en klaar doel van het leven en een relatief veilige maar gesloten gemeenschap: relatief, omdat afwijking van de interne normen (zwaar) gesanctioneerd wordt. Voor bepaalde persoonlijkheidsstructuren is dat extreem aantrekkelijk, zelfs als de prijs hoog is. Met geloof heeft dat weinig of niets te maken.
Veel wat in de praktijk “geloof” heet, is psychologisch iets heel anders.
Ik leg dat uit.
Drie psychologisch verschillende vormen van “geloven”
Existentiële overleving (geen geloof, maar houvast)
Voor veel mensen is religie:
een angst regulerend systeem
een bron van orde, identiteit en gemeenschap
een bescherming tegen chaos en existentiële leegte
Dit is geen vrij geloof, maar een coping mechanisme.
De vraag “is dit gezond?” wordt dan ondergeschikt aan:
“Hoe houd ik het leven in de gegeven sociale context draaglijk?”
Geïnternaliseerde conditionering
Wie vanaf jonge leeftijd leert:
dat twijfel gevaarlijk is
dat afwijzing van het systeem existentieel bedreigend is
dat het eigen gevoel onbetrouwbaar is
kan oprecht zeggen te geloven, maar:
zonder reële keuzevrijheid
zonder toegang tot alternatieven
zonder veilige ruimte voor reflectie
Psychologisch gezien is dit geïnternaliseerde gehoorzaamheid, geen geloof in volwassen zin.
Selectief, gecorrigeerd geloof
Een derde groep gelovigen corrigeert het systeem van binnenuit:
ze negeren schadelijke elementen
herinterpreteren teksten
volgen hun geweten boven de letter
Hier is vaak wél sprake van psychische gezondheid —
maar dan ondanks de religie, niet dankzij haar.
Kun je geloven in iets dat je schaadt?
Ja. Mensen doen dit voortdurend. Waarom?
omdat identiteit sterker is dan waarheid
omdat angst sterker is dan inzicht
omdat sociale binding vaak zwaarder weegt dan welzijn
omdat het verlaten van het systeem vaak meer schade lijkt te veroorzaken dan blijven
Dat is geen domheid, maar menselijke kwetsbaarheid.
Is het dan nog wel terecht om van “gelovigen” te spreken?
Dat hangt af van de definitie.
Strikt genomen zou je kunnen zeggen:
Waar overtuiging niet vrij, reflectief en op een gezonde manier te integreren is, spreken we psychologisch gezien eerder van aanpassing dan van geloof.
Sociologisch zijn het gelovigen.
Psychologisch niet, omdat velen functioneren als:
dragers van een systeem
identiteitsbewakers, of
angst gedreven conformisten
Dat is hard geformuleerd, maar klinisch verdedigbaar.
De paradox die alles verklaart
De paradox is deze:
Een religie kan psychisch schadelijk zijn, en tóch voor individuen tijdelijk psychisch stabiliserend werken.
Net zoals:
een destructieve relatie veiligheid kan bieden
een autoritaire ouder structuur kan geven
een sekte angst kan dempen
Dat maakt het systeem niet gezond — alleen functioneel op korte termijn.
Op de lange termijn is het een doodlopend pad.
Een zorgvuldige eindconclusie
De vraag of het mogelijk is om te geloven in de Islam en of men eigenlijk wel kan spreken van gelovigen, vraagt om de volgende formulering:
Een religie die structureel slecht scoort op criteria voor psychische gezondheid is niet geloofwaardig als volwassen zingevingssysteem.
Het is wél mogelijk dat mensen haar “geloven” in de zin van psychische aanpassing, angstregulatie en identiteitsbehoud. Hoe sterker iemand psychisch gezond, autonoom en geïntegreerd functioneert, hoe groter de spanning met zo’n religie wordt.
Of scherper gezegd:
Waar psychische gezondheid toeneemt, wordt een schadelijk geloofssysteem steeds moeilijker vol te houden.
“Wat de middeleeuwse maatschappij het meest kenmerkend van de hedendaagse onderscheidt, is het gebrek aan persoonlijke vrijheid. Op zeldzame uitzonderingen na moest men blijven waar men geboren was, vaak niet eens in staat, zich naar eigen wens te kleden of naar eigen smaak te eten.” [2]
De beslissende vraag zou eigenlijk moeten luiden als volgt:
Niet: “Waarom blijven mensen dit geloven?”
Maar: Wat gebeurt er met een mens als hij het zich wél permitteert om eerlijk te voelen, te denken en te twijfelen?
Dat is meestal het begin van vrijheid — en vaak ook van afscheid.
