Kenmerken kwetsbare gelovige

“Ik heb vaak gezien dat mensen neurotisch worden, als zij genoegen nemen met ontoereikende of verkeerde antwoorden op de vragen van het leven. 
Wanneer ze zich tot een veelomvattender persoonlijkheid kunnen ontwikkelen, is de neurose meestal ook ten einde.” [1]
Ongezonde religies produceren psychisch ongezonde gelovigen, zoals disfunctionele gezinnen psychisch beschadigde en ontspoorde kinderen voortbrengen.
In de praktijk zal niet elke gelovige aan al deze kenmerken voldoen, er zijn allerlei gradaties mogelijk en ieder individu is anders.
Mensen zijn pragmatische wezens. Zij kunnen uit praktische overwegingen in eigen kring doen alsof zij strak in de leer zijn, terwijl zij in de buitenwereld de teugels laten vieren. Dit kan gezien worden als een vorm van weerbaarheid, maar zo’n dubbelleven verzwakt de persoonlijkheid en belemmert diens ontplooiing.
Voor echt kwetsbare mensen is het een ander verhaal: zij zijn vaak afhankelijk van anderen en kunnen zich niet permitteren om pragmatisch te zijn, of zij komen niet eens op het idee dat dit kan.
Dit type gelovigen kenmerkt zich door:
  1. Existentiële kwetsbaarheid
Kwetsbare gelovigen hebben vaak moeite met de openheid en onzekerheid van het bestaan.
  • Sterke behoefte aan zekerheid, eindigheid, vaste antwoorden
  • Angst voor ambiguïteit, twijfel en morele grijsgebieden
  • Moeite met het verdragen van toeval, tragiek en zinloos lijden
  • Religie fungeert als angstreductiesysteem
Geloof wordt niet primair beleefd als betekenisgeving, maar als bescherming tegen existentiële angst.
  1. Externe locus of control
De ervaring van regie ligt buiten het zelf.
  • Leven wordt gezien als gestuurd door God, het lot, karma, leiders of heilige teksten
  • Eigen verantwoordelijkheid wordt gedeeltelijk of geheel uitbesteed
  • “Het is Gods wil” vervangt psychologische verwerking
  • Besluitvorming wordt vaak gedelegeerd aan autoriteiten
Dit geeft rust, maar ondermijnt autonomie en zelfvertrouwen.
  1. Identiteitsdiffusie
Het geloof vult hiaten in de persoonlijke identiteit.
  • Zwak ontwikkeld zelfbeeld
  • Moeite met het formuleren van eigen waarden los van de groep
  • Sterke identificatie met religieuze rol (“ik ben gelovige”)
  • Afwijking voelt als existentiële bedreiging
Geloof wordt identiteitsdrager, niet identiteitsonderdeel.
  1. Autoriteitsgevoeligheid
Kwetsbare gelovigen zijn gevoelig voor hiërarchie en dogma.
  • Grote eerbied voor leiders, teksten of instituties
  • Weinig ruimte voor kritische reflectie
  • Schuld- en schaammechanismen werken sterk
  • Angst voor uitsluiting of straf (hiernamaals, gemeenschap)
Dit vergroot de kans op geestelijke afhankelijkheid.
  1. Afhankelijkheid van de gemeenschap
De praktische en sociale functie van religie weegt zwaarder dan de inhoud.
  • Sterke angst voor verlies van groepsbinding
  • Conformisme om acceptatie te behouden
  • Loyaliteit boven waarheid
  • Kritiek wordt ervaren als verraad
De gemeenschap fungeert als voorziener van fysieke veiligheid en emotionele hechtingsfiguur.
  1. Cognitieve rigiditeit
Denken is zwart-wit en weinig flexibel.
  • Letterlijke interpretaties
  • Weinig symbolisch of metaforisch denken
  • Moeite met paradoxen
  • Lage tolerantie voor interne tegenstrijdigheid
Complexiteit wordt gereduceerd om innerlijke spanning te vermijden. 
  1. Schuld- en schaamtegevoeligheid
Morele normen worden intern streng en punitief beleefd.
  • Sterk superego (vaak extern gevormd)
  • Zelfkritiek verpakt als “vroomheid”
  • Perfectionisme
  • Angst om tekort te schieten
  • Boete en zelfverloochening als regulatie
Religie versterkt bestaande kwetsbaarheden in plaats van ze te verzachten.
  1. Projectieve dynamiek
Innerlijke conflicten worden naar buiten verplaatst.
  • “Het kwaad” zit bij anderen
  • Zonde, vijanden, onreinen, ongelovigen
  • Eigen agressie of twijfel wordt geprojecteerd
  • Morele superioriteit als afweer
Dit kan leiden tot polarisatie, uitsluiting en vijanddenken.
“We moeten de gevolgtrekking maken dat de psychologie der massa de oudste menselijke psychologie is.” [2]
 
  1. Emotionele vermijding
Religie vervangt psychologische verwerking.
  • Rouw, boosheid of angst worden “overgegeven”
  • Spirituele taal maskeert affect (“het mocht zo zijn”)
  • Weinig ruimte voor rauwe emoties
  • Innerlijk werk wordt vermeden
Spirituele bypassing ligt hier op de loer.
  1. Angst voor autonomie
Vrijheid wordt als last ervaren.
  • Zelf kiezen voelt bedreigend
  • Morele verantwoordelijkheid wordt vermeden
  • Geloof biedt duidelijke kaders
  • Vrijheid wordt verward met chaos
Religie fungeert als structuur tegen innerlijke desorganisatie.
“Is vrijheid slechts de afwezigheid van uiterlijke druk of evenzeer de aanwezigheid van iets en zo ja, wat?” [3]
 
Samenvattend kernprofiel
Kwetsbare gelovigen gebruiken religie vooral als:
  • Angstreductie
  • Identiteitsprothese
  • Moreel houvast
  • Sociale hechting
  • Afweer tegen existentiële vrijheid
  • Afweer tegen de “boze” buitenwereld
Dat maakt hen niet “zwak” in morele zin, maar psychologisch afhankelijk van systemen die veiligheid beloven ten koste van autonomie.
Belangrijke nuance
Kwetsbaarheid is situatie gebonden, niet wezenlijk.
  • Iedereen kan in een kwetsbare religieuze positie terechtkomen
  • Gezonde religieuze ontwikkeling betekent:
van houvast → naar betekenis → naar innerlijke vrijheid
“Voor sommigen is de terugkeer naar godsdienst het antwoord, niet als een daad van geloof, maar om een ondraaglijke twijfel te ontvluchten; deze beslissing komt niet voort uit godsvrucht maar uit een verlangen naar zekerheid.” [4]
 
Tot slot
De vraag is altijd of iemand met deze kenmerken zo is geworden door die ongezonde religie, of dat hij die religie heeft uitgekozen vanwege bepaalde persoonlijkheidskenmerken die in aanleg aanwezig waren en die door de religie zijn versterkt.
Veel mensen worden geboren in een ongezonde religieuze omgeving en zij passen zich aan. Dat maakt hen niet per se ongezond, maar misschien eerder pragmatisch.
Het kan een gezonde vorm van weerbaarheid zijn als jongeren die zijn geboren in een ongezonde religieuze omgeving zich tijdelijk aanpassen, in afwachting van de tijd dat zij zelf kunnen beslissen hoe zij met het geloof omgaan.
Niet iedere gelovige die op dit moment ongezond religieus gemotiveerd gedrag vertoont, is voorbestemd om zo te blijven.
Ik was zelf orthodox christelijk: ik nam de Bijbel letterlijk. Als iemand mij toen had gezegd dat ik dat orthodoxe geloof zou verlaten dan had ik die persoon niet geloofd. Daarom begrijp ik jongeren die orthodox gelovig zijn, want ik was zelf ook zo.
Voor volwassenen ligt dit anders. Kiest een volwassene uit overtuiging voor een ongezonde religie dan is er iets anders aan de hand. Dit brengt mij op het onderwerp religieuze sekten.
 
[1] Carl G. Jung. Herinneringen, Dromen, Gedachten. (1963/1976). Psychiatrische activiteiten.
[2] Sigmund Freud. Het ik en de psychologie der massa. (1921/Ned. druk jaartal niet vermeld). Hoofdstuk 9.
[3] Erich Fromm: De Angst voor Vrijheid. (19411/1986). Hoofdstuk 1.
[4] Erich Fromm. Psychoanalyse en Religie. (1950/1976). Hoofdstuk 1.
Scroll naar boven