“Health is a state of complete physical, mental and social well-being and not merely the absence of disease or infirmity.” [1]
“In het algemeen veranderen cultureel gedrag en onuitgesproken opvattingen lang voordat men openlijk durft uit te spreken dat de tijden veranderd zijn.”[2]
Is de Islam een gezonde religie? Bestaat er überhaupt zoiets als een gezonde religie? Volgens Sigmund Freud niet. Hij beschouwde elke vorm van georganiseerde religie als een collectieve neurose; een reddingsboei voor drenkelingen die psychisch niet op eigen benen kunnen staan.
Het aanbidden van een goddelijke vader is in zijn ogen een projectie: de gelovige mens projecteert zijn “infantiele” behoefte aan een alwijze vaderfiguur op een denkbeeldige goddelijke vader, aldus Freud.
Hij vond dat werkelijke volwassenheid erom vraagt dat deze projectie wordt teruggenomen, want alleen mensen die zelfstandig denken en handelen zijn pas echt religieus, omdat zij hun capaciteiten ten volle gebruiken.
Freud publiceerde er in 1927 een berucht boek over: “De toekomst van een illusie”. Daarmee doelde hij op religie. Zijn schrijfstijl is nogal langdradig en daarom citeer ik Erich Fromm over dat boek. In zijn boek “Psychoanalyse en Religie”, verwoordde hij de visie van Freud als volgt:
“Waarheid en vrijheid zijn volgens Freud onderling van elkaar afhankelijk. Als de mens zijn illusie van een vaderlijke God opgeeft, als hij zijn eenzaamheid en onbeduidendheid in het universum onder ogen ziet, zal hij als een kind zijn dat het huis van zijn vader verlaten heeft.”
“Maar het is juist het doel der menselijke ontwikkeling deze infantiele fixatie te overwinnen. De mens moet zichzelf opvoeden tot een open confrontatie met de realiteit. Als hij weet dat hij niets heeft om op te vertrouwen, behalve zijn eigen krachten, zal hij leren ze goed te gebruiken.”
“Alleen de vrije mens die zich aan de autoriteit heeft ontworsteld – een autoriteit die bedreigt en beschermt – kan van zijn rede gebruik maken en een objectieve greep krijgen op de wereld en zijn rol hierin; zonder illusie, maar met het vermogen de in hem sluimerende capaciteiten tot ontwikkeling te brengen en er gebruik van te maken.”
“Alleen als we naar volwassenheid groeien en niet langer van een autoriteit afhankelijk en bange kinderen blijven, kunnen we voor onszelf durven denken. Maar ook het omgekeerde is waar: alleen als we durven denken, kunnen we ons van overheersing door de autoriteit bevrijden.’
“Freuds zienswijze is van groot belang. Deze geeft, hoewel slechts op indirecte wijze, zijn eigen opvatting van religieuze ervaring weer, namelijk als een ervaring van onafhankelijkheid en bewustzijn van eigen kracht.”[3]
Carl Gustav Jung, voormalig vriend van Freud, dacht fundamenteel anders over religie. In “Psychologie en religie” schrijft hij:
“Nu is de godsdienst ontegenzeggelijk een van de vroegste en algemeenste uitingen van de menselijke ziel. Daarom is het begrijpelijk, dat voor iedere vorm van psychologie die zich met de psychologische structuur van de menselijke persoonlijkheid bezighoudt, op zijn minst in aanmerking genomen moet worden, dat de godsdienst niet alleen een sociologisch of historisch verschijnsel is, maar ook voor een groot aantal mensen een belangrijke persoonlijke kwestie.”[4]
Jung was zelf niet gelovig in religieuze zin, maar hij erkende de functie die religie voor veel mensen heeft en daar keek hij niet op neer, zoals Freud.
Jung vond wel dat religie geen dogmatisch keurslijf moet zijn maar een handreiking; een flexibel hulpmiddel dat meegroeit met de persoonlijke ontwikkeling van de individuele gelovige. Op die manier dient religie de gelovige en wordt hij geen slaaf van zijn religie.
Jung stelde dat religie op die manier zelfs een therapeutische functie kan hebben. Niet volmaaktheid is het doel van het leven, maar heel-wording. Jung verstond onder heel-wording niet alleen genezing van psychische schade – heling – maar het proces waarbij de mens zich ontwikkelt tot een unieke, geïntegreerde persoonlijkheid, door bewuste en onbewuste aspecten van zichzelf te herkennen, te accepteren en met elkaar in evenwicht te brengen.
Heling is onderdeel van heel-wording. Theoretisch kan de mens helen van een trauma zonder heel-wording, maar niet heel-worden zonder heling. Als er maar genoeg tijd overheen gaat dan helen sommige kwetsuren vanzelf, maar zelfrealisatie gaat nooit vanzelf. Jung noemde dit heel-wordingsproces van zelfrealisatie individuatie; het proces waarin een persoon de mens wordt die hij in potentie is.
De lezer die benieuwd is naar het werk van Jung raad ik aan zijn autobiografie te lezen: “Herinneringen, Dromen, Gedachten”. Dit is het meest toegankelijke boek van Jung en een inleiding in zijn werk.
Religie kan iemand helpen om de mens te worden die hij in potentie is, mits die religie er geen schadelijke denkbeelden en praktijken op nahoudt.
Een sterk voorbeeld daarvan is een spraakmakend boek, “Hulpeloos maar schuldig” [5], geschreven door Aleid Schilder, een psychologe met een gereformeerde opvoeding. In dat boek beschrijft zij hoe de gereformeerde kerk gelovigen depressief maakt. Die kerk leert dat gelovigen zondaar zijn tot de dood en niet in staat tot enig goed. Goede daden helpen hen niet, want ze zijn hoe dan ook verdorven en voorbestemd om in de hel terecht te komen. Het boek deed in kerkelijke kringen veel stof opwaaien. Schilder citeert net als ik ook uit “Psychoanalyse en religie” van Erich Fromm.
Maakt de gereformeerde leer het christendom tot een ongezonde religie? Nee, maar de gereformeerde leer is wel ongezond, daar bestaat geen enkele twijfel over. Elke grote religie heeft meerdere stromingen en de ene is gezonder dan de ander en sommige stromingen zijn ronduit schadelijk.
Een gezonde religie stimuleert en helpt de gelovige om de mens te worden die hij in potentie is; een ongezonde religie belemmert of blokkeert dat. Een mens kan daarom beter geen religie hebben dan een ongezonde religie. Zonder religie ontwikkelt de mens zich toch wel, maar met een ongezonde religie wordt die ontwikkeling gefrustreerd of zelfs helemaal geblokkeerd.
Kritiek op de ongezonde aspecten van de verschillende religies is noodzakelijk, want er zijn universele criteria voor psychische gezondheid en menswaardigheid die niet ter discussie (mogen) staan.
Religies zijn geen vrijbrief om de psychische gezondheid van mensen te schaden, integendeel. Een religie moet de psychische gezondheid van gelovigen bevorderen. Een religie die dat niet doet, is niet navolgings-waardig.
In het eerste deel van dit boek benoem ik algemene kenmerken van geestelijke gezondheid, gezonde gelovigen en gezonde religies. In het tweede deel behandel ik de Islam.
Sommige mensen vinden religie een onderwerp dat niet onderzocht mag worden. Dit mag men vinden, maar psychologen onderzoeken menselijk gedrag, inclusief groepsgedrag en het functioneren van sociale system. Een religie is een sociaal systeem en de gelovigen vertonen gedrag.
“Wanneer de psycholoog wetenschappelijk wil blijven, mag hij geen rekening houden met de eis van welke geloofsbelijdenis dan ook, wanneer deze beweert de enige en eeuwige waarheid te bezitten. Hij moet het oog richten op de menselijke zijde van het godsdienstige probleem, omdat hij zich met de godsdienstige ervaring bezighoudt, zonder in aanmerking te nemen wat de geloofsbelijdenissen er later over hebben gezegd.” [6]
Dit onderzoek gaat niet over de vraag of de Islam de ware leer is of niet, maar over de Islam als sociaal systeem en het effect daarvan op de psychische gezondheid en het gedrag van moslims. Helpt de Islam de gelovigen om de mensen te worden die zij in potentie zijn, of belemmert zij dat?
Kortom: Is de Islam een gezonde religie? Veel mensen vragen zich dat af. Zij hebben recht op een eerlijk antwoord.
Noot: Waar in dit boek ‘hij’ wordt gebruikt, kan ook ‘zij’ worden gelezen.
[1] Constitution of the World Health Organization. 1946.
[2] Alexis de Tocqueville: In: De Aquariussamenzwering. Marilyn Ferguson. (1980/1983). Hoofdstuk 1.
[3] Erich Fromm. Psychoanalyse en Religie (1950/1976). Hoofdstuk 11.
[4] Carl G. Jung. Psychologie en Religie (1940/1982). Hoofdstuk 1.
[5] Aleid Schilder. Hulpeloos maar schuldig. 1988.
[6] Carl G. Jung. Psychologie en Religie. (1940/1982). Hoofdstuk 1.