Kenmerken psychische gezondheid
“Gezonde mensen zijn uiterst onafhankelijk. Het zijn geen ‘nestblijvers’ en hoewel ze misschien erg op hun familie zijn gesteld en hun familie zeer toegewijd, vinden ze dat in alle relaties onafhankelijkheid boven afhankelijkheid moet gaan.” [1]
De 10 criteria voor een gezonde religie komen niet zomaar uit de lucht vallen, want die zijn – vanzelfsprekend – gebaseerd op de kenmerken van geestelijke gezondheid in het algemeen.
De gezondheid van een religie kan daardoor – godzijdank – worden beoordeeld met sociaal wetenschappelijke kennis die niet ter discussie staat.
Universele standaarden voor geestelijke gezondheid zijn:
-
Autonomie
Autonomie gaat over zelfstandigheid en je eigen keuzes maken, zonder ongezonde afhankelijkheid van anderen. In de stress-literatuur wordt autonomie gezien als een buffer tegen stress. Minder autonomie betekent minder controle en meer stress.
“De mens is uiteindelijk vrij en onafhankelijk. Het is niet waar dat de mens eenvoudig bestaat, hij beslist voortdurend zelf, van minuut tot minuut, hoe zijn leven zal zijn, wat hij zal worden.” [2]
“Mensen streven ernaar controle op hun omgeving uit te oefenen en daardoor greep op hun leven te krijgen. Kortom, hun inspanningen zijn gericht op vergroting van de mate van zelfstandigheid en autonomie. Lopen zij daarbij tegen barrières aan, dan veroorzaakt dit spanningen in de vorm van stressreacties.” [3]
Natuurlijk zijn er gelovigen die graag hun autonomie inleveren omdat dit de stress van het dragen van verantwoordelijkheid vermindert. Zulke mensen zoeken onderdak in orthodoxe kringen.
Dit kan tijdelijk prima werken, ik heb dat zelf ook ervaren. Het punt is dat de mens niet stilstaat, hij ontwikkelt. Er komt ooit een moment dat de veiligheid van die orthodoxe kring gaat voelen als een beperking. Als mensen groeien dan neemt de natuurlijke behoefte aan autonomie het over.
-
Realiteitszin
Een adequate waarneming van de werkelijkheid, met het vermogen onderscheid te maken tussen feiten, irrationele aannames en interpretaties.
In de DSM-V, het internationale handboek voor psychische stoornissen, staan alle officieel erkende stoornissen beschreven. Een aantal van die stoornissen laat een ‘niet adequate waarneming van de werkelijkheid’ zien. Betekent dit dat elke gelovige een psychische stoornis heeft? Nee, maar wel dat de grens tussen gezonde en ongezonde gelovigen vaag is.
-
Emotionele regulatie
Het vermogen om eigen gevoelens te ervaren en emoties te herkennen, te verdragen en te reguleren zonder ze te ontkennen, te onderdrukken of impulsief uit te leven.
-
Integratie van identiteit
Een samenhangend zelfbeeld waarin verleden, heden, waarden en keuzes met elkaar verbonden zijn, zonder ernstige innerlijke fragmentatie.
De persoon ziet zelfkennis als cruciaal en begrijpt zichzelf als het resultaat van opvoeding en gemaakte keuzes.
-
Zingeving
Het vermogen om zin te ervaren of te creëren, ook in lijden, tegenslag en onzekerheid, zonder te vervallen in nihilisme, slachtoffer-denken, vijanddenken of dogmatische zekerheid.
In dit verband raad ik de lezer het boek “De zin van het bestaan” van Viktor Frankl aan. Hij overleefde concentratiekampen en in dat boek beschrijft hij welk type gevangene overleefde, welke niet en waarom.
Zijn waarneming was dat niet grote fysiek sterke types overleefden, maar degenen met een sterke innerlijke focus op zingeving en lange termijndoelen. Fysieke verschijning speelde geen rol.
“Ondanks het gedwongen fysiek en mentaal primitieve leven dat wij in het concentratiekamp leidden, kon het geestelijk leven toch worden verdiept. Gevoelige mensen, die gewend waren aan een rijk intellectueel leven, hebben weliswaar veel te lijden gehad (dikwijls hadden zij een zwakke constitutie), maar hun persoonlijkheid werd minder beschadigd. Zij waren in staat zich uit de afschuwelijke realiteit van hun leven terug te trekken in een rijk en vrij innerlijk leven. Dit is de enige verklaring voor het schijnbaar paradoxale verschijnsel, dat bepaalde minder geharde gevangenen beter tegen het kampleven bestand bleken te zijn dan hun robuuste medegevangenen.” [4]
-
Relationele verbondenheid
Het vermogen tot wederkerige relaties waarin nabijheid en afstand in balans zijn, zonder symbiotische samensmelting of krampachtige vermijding.
Erich Fromm beschrijft in “Liefhebben een Kunst een Kunde” wat er voor nodig is om volwassen relaties aan te gaan die niet zijn gebaseerd op onderlinge afhankelijkheid.
-
Frustratie- en onzekerheidstolerantie
Het kunnen verdragen van onzekerheid, twijfel en teleurstelling zonder psychische ontregeling of (agressieve) rigide defensies.
In de DSM-V staan psychische stoormissen beschreven die gekenmerkt worden door een lage frustratietolerantie.
De antisociale-persoonlijkheidsstoornis gaat gepaard met een lage frustratietolerantie en verhoogde agressie.
-
Morele verantwoordelijkheid
Het beschikken over een eigen innerlijk moreel kompas en het vermogen om ethische afwegingen te maken zonder deze te ontlenen aan, dan wel uit te besteden aan regels, groepen of autoriteiten.
Mensen zonder innerlijk moreel kompas hebben een extern geweten. Politiemensen die zich gedragen als “dienstkloppers” – regels zijn regels – hebben een extern geweten in de vorm van het wetboek. Ze hebben zelf geen mening, want het wetboek is hun mening.
Mensen die niet zelf nadenken, hebben hun geweten “uitbesteed”.
Freud noemt het “uitbesteden” van je geweten een vorm van morele infantiliteit.
De vraag moet zijn: “Wat vind ik zelf ?”
Niet: “Wat vinden anderen ?”
-
Zelfreflectie
Het vermogen het eigen denken, voelen en handelen kritisch te onderzoeken, inclusief het herkennen van eigen blinde vlekken en fouten.
-
Ontwikkelingsvermogen
