Hoofdstuk 3. Organisatiecultuur en gezondheid
Organisatiecultuur en gezondheid
‘Stress is een toestand waarin iemand niet in staat is, of zich niet in staat acht, aan de door de omgeving gestelde eisen te voldoen.’ [1]
Organisatieculturen zijn niet vrijblijvend, het zijn stelsels van ongeschreven gedragsregels waaraan iedere medewerker zich heeft te houden. Het kan daarom niemand verbazen dat organisatieculturen door hun dwingende karakter in hoge mate bepalend kunnen zijn voor het welzijn en functioneren van medewerkers.[2] Een extreem voorbeeld hiervan is Japan, waar de nationale cultuur erg competitief is en daardoor ook veel organisatieculturen in dat land.
Overwerken is in Japan de regel en niemand gaat eerder naar huis dan de chef. Deze cultuur is niet goed voor de gezondheid van Japanse werknemers, want men heeft er zelfs een woord voor als werknemers op hun werk door vermoeidheid overlijden: ‘Karöshi’. Het is in Japan ook geen onbekend verschijnsel dat werknemers die het harde regime niet langer volhouden zelfmoord plegen, dit noemt men ‘Karöjisatsu’.[3] Japan is een tijdje een lichtend voorbeeld geweest voor westerse economieën, omdat zij zo succesvol was.[4] Naar Nederlandse maatstaven is Japan echter een extreem voorbeeld van een ‘dictatuur van de cultuur’.
Hoewel extreem, maakt dit wel duidelijk dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de nationale cultuur, de organisatieculturen in dat land en de gezondheid van de medewerkers in die organisaties.
Het Karasek-model
Om het verband tussen de verschillende aspecten van de politiecultuur en de gezondheid van medewerkers te onderzoeken, maak ik gebruik van een eenvoudig verklaringsmodel uit de sociale wetenschappen, het Karasek-model, ook wel het JD-R model (Job Demands-Recourses model) genoemd.[5] Een korte uitleg is belangrijk om dit boek goed te kunnen begrijpen. Volgens Karasek kan de werkomgeving met behulp van een beperkt aantal cruciale factoren worden gekenmerkt om de invloed van het werk op welzijn en gezondheid te voorspellen.
Zijn model voor werkstress was aanvankelijk gebaseerd op twee factoren: werkdruk/werklast (taakeisen) en autonomie of regelruimte (hulpbron), bij de politie professionele ruimte genoemd. Taakeisen moeten worden gecompenseerd met hulpbronnen. Later voegde Karasek sociale steun als hulpbron toe aan het model. Karasek maakte onderscheid tussen de sociale steun van collega’s en leidinggevenden.
Karasek stelt dat de werknemer zichzelf als gezonder ervaart naarmate hij meer vrijheid krijgt in de manier waarop hij zijn arbeid kan vormgeven (regelruimte) en meer sociale steun van collega’s en leidinggevenden ervaart. Hoe hoger de eisen die het werk stelt, hoe belangrijker de factoren regelruimte en sociale steun zijn. Volgens Karasek leiden functies die hoge eisen combineren met veel regelruimte tot een goede motivatie en ontplooiing van de medewerker. Daar staat tegenover dat functies met een hoge werklast, weinig regelruimte en weinig sociale steun leiden tot spanningen, fysieke klachten en gezondheidsproblemen.
Onderzoek naar dit model wees uit ‘dat zowel hoge als lage waarden aan regelruimte leiden tot verhoogde gezondheidsrisico’s.’ [6] Niet alleen te weinig, maar ook teveel regelmogelijkheden kunnen leiden tot stressreacties. Er zijn dus mensen die beter functioneren als zij niet teveel regelruimte hebben. Dit zijn mensen die vooral behoefte hebben aan structuur en voorspelbaarheid, anders krijgen zij last van werkstress. De grens waar een gebrek aan structuur en voorspelbaarheid spanning gaat oproepen is voor iedereen anders.
Hoe lager op de ladder, hoe zwaarder de functie
Alle beroepen kunnen volgens Karasek worden ingedeeld volgens deze drie dimensies: een hoge versus een lage werklast, veel versus weinig regelruimte en veel versus weinig sociale steun. Onderzoek wijst uit dat beroepen in de lagere regionen van organisaties zich vaak kenmerken door een hoge werklast, geringe regelruimte en weinig sociale steun’.[7]
De vraag is hoe die variabelen zich verhouden in de onderste helft van de personele politiepiramide.
Werkdruk en werklast
Werklast is de eerste variabele uit het Karasek-model. Een hoge werkdruk (veel werk) is niet de enige factor die maakt dat een functie als zwaar kan worden ervaren, er kunnen meer belastende factoren zijn. Daarom dekt de term ‘werklast’ de lading beter dan werkdruk, want onder werklast valt in principe alles wat een taak psychisch, emotioneel of fysiek zwaar kan maken.
Werklast gaat naast een hoge werkdruk door de hoeveelheid werk dus ook over zaken als de mate van verantwoordelijkheid, de complexiteit van de taken, tijdsdruk, de noodzaak om intensief te moeten samenwerken, het risico om fysiek gewond te raken, indrukwekkende incidenten, onregelmatige diensten, enzovoorts. Op de meeste werkvloeren bij de politie is permanent sprake van een hoge werkdruk, er is altijd meer werk dan het personeel aankan. Dit roept de vraag op hoe de organisatie daarmee moet omgaan.
Autonomie / regelruimte / professionele ruimte
‘Mensen streven ernaar controle op hun leven uit te oefenen en daardoor greep op hun leven te krijgen. Kortom, hun inspanningen zijn gericht op het vergroten van hun mate van zelfstandigheid of autonomie. Lopen zij daarbij tegen barrières aan, dan veroorzaakt dit spanningen in de vorm van stressreacties.’ [8]
Regelruimte is de tweede variabele uit het Karasek-model. Onderzoek laat zien dat mensen een grote werklast alleen langdurig aankunnen als zij beschikken over voldoende vrijheid om hun werk naar eigen inzicht in te delen. Is die vrijheid er niet dan geeft dat stress, want mensen hebben van nature behoefte aan een gevoel van controle, ook in hun werksituatie. Een gevoel van controle is een primaire levensbehoefte van ieder mens en belangrijk voor de gezondheid, dat geldt ook voor politiemensen. In de kern heeft regelruimte een angst-reducerende functie, want controle-verlies voelt gevaarlijk aan.
Bij de politie spreekt men niet van autonomie of regelruimte, maar van professionele ruimte. Een van de belangrijkste kenmerken van politiewerk is dat het onvoorspelbaar en oncontroleerbaar is. De afwisseling die dit met zich meebrengt is voor veel politiemensen de charme van het politiewerk, maar iedereen heeft grenzen in wat nog als prettige onvoorspelbaarheid wordt ervaren. Hectische diensten kunnen medewerkers ook het gevoel geven dat zij geen controle hebben over de situatie, zeker als chaotische diensten met enerverende incidenten elkaar in hoog tempo opvolgen. Deze situatie kan worden ervaren als een vorm van controleverlies en het gevoel geleefd te worden. Op de lange termijn kan dit leiden tot emotionele uitputting, een kenmerk van burnout.
Autonomie en het experiment met de lopende band
‘Stress treedt vooral op als we het gevoel krijgen de controle over de situatie te verliezen.’ [9]
In een experiment dat ooit is gedaan, bleek dat een groep mensen met complexe taken en een grote werklast dat met voldoende regelruimte prima volhield zonder negatieve spanningen, ofwel stress te ervaren.[10] Veel ondernemers maken zestig uur of meer per week en zij floreren daarbij, jaar in jaar uit. Dit komt doordat zij eigen baas zijn en vaak zelf kunnen bepalen in welk tempo en volgorde zij hun werk doen. Veel ondernemers hebben daardoor relatief veel regelruimte.
Dan was er in het experiment nog een tweede groep en die stond aan de lopende band. Door zo’n simpel baantje kan een mens geen stress ervaren, zo lijkt het. Het geval wil echter dat deze groep geen enkele controle had over de snelheid van de lopende band, geen enkele regelruimte dus. Juist deze groep raakte gestrest als iemand anders bepaalde dat de band sneller ging draaien.
Die spanningsklachten bleken niet te ontstaan doordat zij de snelheid van de lopende band niet konden bijhouden, want dat konden zij wel. De klachten ontstonden doordat zij zelf geen enkele controle konden uitoefenen op de snelheid van de band. Zij raakten dus gestrest van simpel werk zonder regelruimte.
Het effect van weinig regelruimte als het werk wel complex is laat zich raden, medewerkers ervaren toenemende werkstress en worden ‘aan de lopende band’ ziek. Operationeel leidinggevenden moeten er daarom voor zorgen dat die regelruimte van medewerkers optimaal is, want dan werkt het als buffer tegen werkstress. Optimaal betekent niet grenzeloos, maar passend bij de taakvolwassenheid, het opleidingsniveau en de taken van de medewerker.
Regelruimte afstemmen op de persoon van de medewerker is daarom een kwestie van maatwerk. Dit vraagt om leidinggevenden die daar oog voor hebben en in staat zijn om elke medewerker de juiste ruimte en sturing te geven. Dit vraagt om leidinggevenden die in staat en gemotiveerd zijn om een betekenisvolle persoonlijke werkrelatie met hun medewerkers op te bouwen. In het Karasek-model wordt dit sociale steun genoemd.
Sociale steun van collega’s en leidinggevende(n)
Naast een hoge werklast in combinatie met een gebrek aan regelruimte is volgens het Karasek-model het ontbreken van sociale steun een bron van werkstress. Sociale steun wordt in dit model gezien als buffer tegen werkstress. Hoe groter de werklast, hoe meer medewerkers de buffer van sociale steun nodig hebben om die werklast aan te kunnen en gezond te blijven. Zonder die buffer komen medewerkers in een isolement, ervaren zij meer werkstress en komen zij in de gevarenzone, daar komt het op neer.
Zoals al bleek, zijn er twee soorten sociale steun: die van de directe collega’s en die van leidinggevenden. Dit onderscheid is cruciaal, want het gaat om twee totaal verschillende soorten sociale steun.
Sociale steun van collega’s is belangrijk, maar kan de afwezigheid van steun van een chef maar voor een deel compenseren, want de behoefte aan een goede werkrelatie met de chef blijft bestaan. Het gaat niet alleen om aandacht en emotionele steun, chefs bezitten ook de macht om medewerkers iets te geven of te onthouden dat belangrijk is voor hun loopbaan.
Zonder betekenisvolle professionele relatie met hun direct leidinggevende raken sommige medewerkers ontheemd en gaan zij gedrag vertonen dat niet functioneel is voor de teamdoelen. Hier worden die medewerkers vervolgens op aangekeken, niet de leidinggevende die glanst door ‘taakgerichte afwezigheid’. De negatieve gevolgen van het ‘contactuele duikgedrag’ van de leidinggevende worden daardoor op de medewerkers afgewenteld.
Dit creëert een onveilige en onrechtvaardige spiraal naar beneden, waaruit veel ellende voortkomt. Medewerkers melden zich ziek, maar dat is een korte termijnoplossing, want op de langere termijn lost dat het probleem niet op. Voorkomen is beter dan genezen. Veel narigheid kan worden voorkomen door niet nonchalant met medewerkers om te gaan, maar hen de aandacht en waardering te geven die zij verdienen.
Voldoende waardering en sociale steun van een chef maakt medewerkers sterker en minder afhankelijk van de sociale steun van collega’s, waardoor zij zich onafhankelijker kunnen gedragen. Dat komt hun professionele optreden en het team ten goede.
Zonder de sociale steun van een leidinggevende voelen medewerkers zich onveilig en trekken zij voor sociale steun extra saamhorig naar elkaar toe. Beide partijen belanden dan in een eigen wereld en leven langs elkaar heen. Dat is niet goed voor de sfeer, maar ook niet voor de productiviteit. Als beide partijen door de afwezigheid van een goede werkrelatie in twee kampen belanden dan wordt het over de hele breedte moeilijker om de organisatiedoelen te behalen.
KARASEK-MODEL
Taakeisen die kunnen leiden tot burnout:
-
Werkdruk (hoeveelheid werk)
-
Gebrek aan regelruimte en sociale steun
-
Onvoorspelbaarheid van het werk
-
Onregelmatige diensten (verstoord bioritme)
-
Ploegendiensten (verkleint regelruimte)
-
Termijnen (deadlines Openbaar Ministerie)
-
Complexiteit van het werk
-
Mate van verantwoordelijkheid
-
Rolconflicten (politie moet orde handhaven, maar ook hulp verlenen)
-
Afbreukrisico’s (fouten maken waardoor verdachten worden heengezonden of vrijgesproken)
-
Emotionele belasting
-
Gevaar om fysiek gewond te raken
-
Problemen afstemmen werk en privé
Werklast
Buffers (hulpbronnen) die leiden tot bevlogenheid:
-
Autonomie / regelruimte / professionele ruimte.
Deze termen zijn min of meer synoniem.
-
Sociale steun van collega’s.
-
Sociale steun van leidinggevende(n).
